Overwegingen

31e zondag door het jaar –B. (Mc. 12,28b-34).

Laten wij ons in deze overweging inspireren door de H. MaximiliaanMaria Kolbe, die vrijwillig de hongerbunker inging om het leven van een ter dood veroordeelde huisvader te redden. En ook willen wij in herinnering roepen, zij die in de hele wereld bekend is als de engel van Calcutta.  Als voorbeeld van naastenliefde diende deze zuster uit Albanië, tot aan haar dood de armsten, de zieken en de stervenden. We kennen haar als Moeder Theresa, die de eerste 20 jaar gewerkt heeft als lerares in Calcutta en zich daarna geheel in dienst heeft gesteld van de uitgestotenen in de krottenwijken. Ze haalde mensen uit de goot, waste en verpleegde hen en zorgde ervoor dat zij tenminste menswaardig konden sterven. Vanaf 1950 werkte zij niet meer alleen. Zij stichtte een kloostergemeenschap, die zij “de missionarissen van de liefde noemde”. Inmiddels kent deze gemeenschap meer als 1000 zusters, hoofdzakelijk uit India. In 1963 stichtte zij ook een mannelijke tak. Ze zijn thans actief in veel noodgebieden over de hele wereld en doen werk verpleeghuizen voor stervenden, in apotheken voor de armen, in centra voor lepralijders. Ook in onze omgeving zijn ze actief. We stellen hen de vraag of dat hier bij ons ook nodig is? Hun antwoord is dan: de een verzorgen we met brood, de ander met liefde. Liefde en meeleven zijn de beste medicijn. De zusters en broeders van Moeder Theresa tonen ons, hoe wij het “gij zult uw naaste liefhebben als jezelf”  in praktijk kunnen brengen.

Wij zijn maar al te gemakkelijk geneigd alleen aan het laatste deel te denken: aan jezelf.  Dit is het verraderlijke van onze tijd. We vragen steeds op de eerste plaats: wat heb ik er aan, wat verdien ik ermee? En moeder Theresa zegt ons: het grootste kwaad van deze wereld is de enorme ongeïnteresseerdheid tegenover de medemensen.

Er wordt tegenwoordig veel gesproken over medemenselijkheid en naastenliefde, maar wordt zij ook in praktijk gebracht? Zijn wij bereid over het eigen IK heen te stappen en belangstelling en liefde te tonen voor de ander? Doen wij dit ook in de praktijk van ons eigen leven in onze eigen omgeving?

Jezus spreekt over de liefde tot God, tot de naaste en tot jezelf. Jezus spreekt over “drie geboden”, die samen het eerste gebod vormen. Zou je zo’n antwoord op school geven, dan komt onmiddellijk de opdracht om te beslissen: welk van de drie, want er kan er maar een het eerste zijn. Jezus maakt ons dan duidelijk dat deze drie geboden zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat ze niet in een rangorde geplaatst kunnen worden. God liefhebben betekent alles liefhebben wat God geschapen heeft, dus ook de medemens en ook jezelf. We moeten dus onze medemensen nabij zijn, zorg voor hen hebben. Op deze manier is de geschiedenis van God onlosmakelijk met die van de mensen verbonden en omgekeerd. Mensen kunnen niet zonder God, en God kan niet zonder mensen. De liefde tot God en de liefde tot de mensen zijn als de twee zijden van eenzelfde medaille. Wil ik God liefhebben, wil ik over God iets te weten komen, dan moet ik ook in het gezicht van de mensen kijken. De mensen zijn immers beeld en evenbeeld van God. In de mensen schijnt iets door van het goddelijke. In het omgaan met de mensen wordt iets zichtbaar van het handelen van God met ons mensen. Alles wat wij doen aan de geringsten onder ons, doen wij aan God.

Wij kunnen God niet zien. Daarom is het altijd moeilijk over God te spreken, om God lief te hebben. Bij een mens die voor ons staat, is dat gemakkelijker. Maar wij kunnen God ervaren in de hulp die wij aan elkaar geven: als wij troosten, als wij proberen een beetje te leven zoals Jezus het ons voorgedaan heeft, als we samen delen, als we ons inzetten voor gerechtigheid en vrede, als wij vreemdelingen en vluchtelingen opnemen, als wij anderen niet met vooroordelen tegemoet treden, als wij mensen niet onderdrukken en kleineren.

Samenvattend komt het aan op de innerlijke houding, van waaruit ik leef. Als ik in Zijn liefde leef en deze liefde doorgeef aan anderen, dan is God in mij zichtbaar en tastbaar.

Wat moeten we nu doen?

Geen grote dingen en programma’s, maar God een plaats in ons leven geven, Hem bij ons laten wonen. Want als er voor God bij mij plaats is, dan is er ook plaats voor de medemens. Dan kunnen we met Augustinus zeggen: Heb lief –en doe, wat je wilt. Vanuit deze houding zullen we steeds het juiste doen en de juiste weg vinden.

Ik ben ervan overtuigd dat in deze tijd het woord IK daarom zo groot geschreven wordt en het woordt JIJ zo klein, omdat wij het woord God weggestreept hebben in ons dagelijks leven. Moeder Theresa en haar zusters en broeders leven ons voor dat de liefde tot God en de liefde tot de naasten onverbrekelijk bij elkaar horen.

In elke H. Mis die wij vieren, ervaren wij deze oneindige liefde van God. Hij gaf ons Zijn eigen Zoon, die Zijn leven voor ons gaf aan het Kruis.

Hoogfeest van Christus Koning.

Jezus – de Koning.

Koningen hebben altijd al indruk gemaakt op mensen en deze gefascineerd, waarschijnlijk ook, omdat zij uit een andere wereld schijnen te komen. Jezus is ook een Koning en Zijn koningschap is niet van deze wereld. Maar is Jezus dan een koning in de wereldse betekenis?  Zijn koningschap is van een geheel andere aard. Als men zich de omgang van Jezus met de mensen van toen voor ogen haalt, kan men herkennen wie bij Hem voorop stond: de mens als persoon, uitgerust met een grote waardigheid. Zo heeft Hij mensen genezen, opgericht, hen de zonden vergeven, ze weer tot leven gewekt. Hij wilde dat de mensen het leven zouden bezitten en wel in overvloed. Hij was geen heerser, die van boven af op de mensen neer keek, maar Hij was een God, die onder de mensen gekomen is. God, die niet bang was om met de mensen in aanraking te komen en ook naar de melaatsen, de uitgestotenen, toe ging. Jezus geeft de minderen, de geringen, weer aanzien. Voor Hem hoorden zij er weer bij. Hij keek hen aan. Jezus waardeerde de mensen en trad hen tegemoet met veel respect. Jezus, de Koning, acht zich ook niet te groot, de zieken en de melaatsen te benaderen en aan te raken. Hij laat het niet bij mooie woorden, maar laat de mensen voelen, dat hij waardering voor hen heeft, dat ze bij Hem in aanzien staan.

Hoe komt het nu, dat uitgerekend Jezus, die schijnbaar zonder macht is, die geen grote macht heeft vanuit de mensen gezien, zo’n machtige invloed heeft op het leven van de mensen? Een antwoord vind ik in zijn ontmoeting met de mensen, zoals het zoeven beschreven is. Hij leeft overeenkomstig dat wat hij verkondigt. Woord en daad horen bij Hem bij elkaar; ze zijn één. Hij blijft tot het einde geloofwaardig. Niets en niemand kan Hem daarvan afbrengen, de armen en hen die aan de rand staan te verkondigen en te laten zien dat God aan hun kant staat. Jezus was niet de Koning in wereldse zin, maar de Heiland, die de mensen niet het onderworpen zijn, het knecht zijn, bracht maar het heil. Met de blik gericht op onze gemeenschap wordt gezegd: Nu wordt meer uitgezien naar, hoe de christelijke Kerken hun therapeutische kracht weer terug kunnen winnen. En dat dan ook nog op al hun levensgebieden; in al hun godsdienstige en kerkelijke vieringen, in al hun ontmoetingen en samenkomsten, doordat de Kerk de mensen dient. Het visioen is, dat in de navolging van de Heiland de kerkelijke levensruimte tot Heiland wordt. Wie binnen treedt, gaat niet in het ergste geval beschadigd weg, maar sterker en genezen (geraakt door het heil). Zijn nu onze gemeenschappen koninkrijken, Heiland in deze betekenis?

Ter overweging -aanvulling.

Wij horen vandaag, op de Zondag van Christus Koning, hoe de mens geworden Zoon van God, zich vernedert tot het Kruis: Hij, de koning van de Joden, staat geboeid en machteloos voor de stadhouder van de romeinse keizer. Hij is een Koning niet in de betekenis van de wereld, maar weerloos, open en kwetsbaar. Hij wil de mensen niet met geweld veroveren, maar Hij wil hun harten winnen. Hij werft met liefde om de instemming van de mensen.

Als wij vragen naar de almacht van God, dan moeten wij voor ogen houden, dat het grootste bewijs van de almacht van God is dat de macht van God zich het duidelijkste toont in de ontlediging van Christus. Deze openbaring van zijn almacht is voor ons moeilijk te aanvaarden. Maar ook Zijn leerlingen hadden het  daar tot het einde toe moeilijk mee. Jezus heeft hen niet de macht getoond, die zij verwacht hadden, maar de macht van Zijn liefde, die uitgedrukt wordt in kruis en opstanding.

P. Backus -pastoor.