Spirituele rondgang
door de kerk van de H. Cornelius van Borgharen.
Na mijn benoeming in 1994 heb ik deze mooie kerk voor de eerste keer
betreden.
Het gewelf van de kerk dat het “Volk van God onderweg”
in zijn grote verscheidenheid bij elkaar houdt, is uitdrukking van
ons verlangen om de gemeenschap onder één dak bij elkaar
te brengen en te houden.
Ik nodig U uit onze kerk te zien als een vertelling van ons geloof
en van de Blijde Boodschap van Jezus Christus. Deze kerk is een fragmentarische
uitdrukking van de bewogen geschiede-nis van de geloofsgemeenschap
rond kerk en kasteel van Borgharen.
De in de fundering aanwezige resten van de vorige kerk en de vondsten
bij de bouw van de huidige kerk wijzen op een lange historie, waarvan
aangenomen wordt dat deze teruggaat tot de tijd van de Romeinen. Hierdoor
worden we uitgenodigd de reeds eeuwen geleden ingeslagen weg van ons
geloof te vervolgen en om dat wat we als gewoon beschouwen opnieuw
te ontdekken. Onze kerk is een steen-geworden getuige van ons geloof.
Misschien zult U hierdoor ook ontdekken dat onze kerk een plaats is
van Gods Nabijheid, een plaats waar we troost en vertrouwen kunnen
vinden. Een plaats waar ons gezegend leven begint, groeit en zijn
weg vindt naar het eeuwige Vaderhuis.
Wij wensen U een gezegende tijd aan de hand van de H. Martinus en
de H. Cornelius.
P. Backus-pastoor.
Toren-orientatiepunt.
Als een vingerwijzing naar de hemel, zo werkt de toren van de parochiekerk
van de H. Cornelius van Borgharen. Van verre reeds zichtbaar wijst
hij op het grotere, het hogere.
Diep in de grond en vast in de aarde geworteld, is deze toren een
bemiddelaar tussen aarde en hemel. Voor de inwoners van Borgharen
en voor allen die deze plaats bezoeken als gast of als pelgrim is
hij het oriëntatiepunt. Hij markeert niet enkel het midden
van het dorp, maar is tegelijk een uitstekende uitdrukking van alles
wat mensen in de voorbije eeuwen bewogen heeft en ook nu nog beweegt.
De kerk van de H. Cornelius vertelt over de hoop en de verlangens
van de mensen, die steen voor steen op elkaar gestapeld zijn, Ad
Maiorem Dei Gloria, tot meerder eer van God.
De klokken.
Deze kijken vanuit de toren terug op een wisselende geschiedenis.
Overstromingen door de Maas, de tijd van de Hugenoten, het zwijgen
tijdens de laatste wereldoorlog en het uit de toren halen om omgesmolten
te worden tot granaten. Maar gelukkig is dit een poging gebleven
en zijn de twee monumentale klokken behouden gebleven. Deze klokken
met als namen de H. Martinus en de H. Maria, dateren uit 1699. De
derde klok is een schenking van de Zusters Franciscanessen van Roosendaal
als herinnering aan de tijd dat zij het onderwijs verzorgden in
Borgharen, terwijl een vierde luidklok wacht om in de toren geïnstalleerd
te worden.
Als zich de klank van de klokken verbreid over Borgharen is ook
deze een oriëntatiepunt.
Zoals de toren een optisch teken zet, zo geven de klokken een akoestisch
signaal. Ze roepen bij de mensen niet op de eerste plaats de tijd
van de klok in herinnering, maar veel meer de tijden van gebed.
De gemeenschap die samen geroepen en uitgenodigd wordt, ecclesia-
Kerk, is het hetgeen dit kerkgebouw met leven vervult. De gelovigen
zelf zijn de Kerk van Christus en kunnen in het kerkgebouw het beeld
herkennen van wat ze zelf zijn, namelijk levende stenen, samen gevoegd
tot een geheel, waarvan Christus de hoeksteen is. Stenen in vele
vormen en kleuren en van verschillend materiaal. Een rijke verscheidenheid
en toch één.
Gaan we terug naar de toren en kijken we langs de spits omhoog dan
zien we de vinger-wijzing naar iets dat buiten ons bereik ligt,
en dat ons aantrekt en diep beroert. De meerhoekige toren symboliseert
de verbinding van de aardse en de hemelse kosmos en verwijst zo
naar de oneindigheid, naar de eeuwigheid. De toren met zijn vele
hoeken gaat verder dan zeven. Dit cijfer is in de wiskunde het teken
van de oneindigheid. Voltooiing en harmonie tussen het aardse (vier)
en het goddelijke (drie); hiervan is deze toren het beeld.
 |
Het kerkportaal.
De ingang onder de toren is de overgang van het profane (pro-Fanum-v??r
het heilige), van het wereldse naar het heilige (Fanum). De
mens kijkt terug en richt zich tegelijk op dat wat voor hem
staat.
Hier onder de toren heeft ook het gedenken van de overledenen
zijn plaats: een laatste groet, het herinneringskruisje, de
gang naar het kerkhof.
Bij het geschapen zijn van de mens, hoort ook zijn vergankelijkheid.
Het kerkportaal ligt aan de westzijde van de kerk. Van hieruit
kijken we naar het Oosten, de opgaande zon: Jezus Christus.
|
Door de deur komen we in de kerkruimte,
waarin ieder beeld, ieder voorwerp, ieder geluid, getuige zijn
van een wereld die over de dood heen blijft bestaan. Het deelhebben
hieraan ervaren we in het persoonlijk gebed, het ontvangen van
de Sacramenten en heel bijzonder het vieren van de Eucharistie.
Door het portaal gaan we van de duisternis naar het licht. We
zien het Oosten als de plaats van de opkomende zon (Ex Oriente
Lux), de terugkerende Christus.Boven het portaal van de kerk
zien we een vensterrozet, met erin verwerkt de overblijfselen
van de glas in lood ramen van het priesterkoor, die in 1941
bij het neerstorten van een vliegtuig vernield zijn. Het betreft
de uitbeelding van de dood van Jezus aan het Kruis. |
Reliëf van de H. Martinus boven de ingang van de kerk.
Vanaf het eerste begin is de H. Martinus de patroon van de kerk
en de gemeenschap van Borgharen. Dit blijkt uit het oude stempel
voor het lakzegel van de parochie en ook uit het wapen van de voormalige
gemeente Borgharen.
Borgharen is een van de vele kerken, gelegen aan versterkte oversteekplaatsen
van de Maas in de beide Limburgen die de H. Martinus als patroon
hebben. Met Martinus staan we in de traditie van de jonge Kerk.
De leden van deze Kerk brachten hun hele bezit mee in de Kerk om
er het gemeenschappelijk leven mee mogelijk te maken. Arm en rijk
deelden met elkaar. Martinus deelde zijn mantel, zijn hele bezit
als Romeins officier, met de bijna bevroren bedelaar, die hij in
een droom herkende als Christus. Martinus zag hierin het teken van
zijn roeping en stelde zich geheel in dienst van Christus.
Een ander beeld wordt hierdoor opgeroepen: het broodwonder. Alles
delen wat je hebt en dan nog overhouden!
Icoon van O.L.V. Altijd durende Bijstand.
Een bijzonder plaats onder de heiligen neemt Maria in. We ontmoeten
haar in de overgang van de wereld naar het schip van de kerk en
ook in de nabijheid van de doopvont.
“hoog verheft nu mijn ziel de Heer,
Verrukt is mijn geest om God, mijn Verlosser.
Zijn keus viel op zijn eenvoudige dienstmaagd:
van nu af prijst ieder geslacht mij zalig.
Wonderbaar is het wat Hij mij deed,
de machtige, groot is zijn Naam! (Luc.1, 46-49)
Deze lofzang, het Magnificat, herinnert eraan, dat haar overgave,
haar wil om zich geheel in dienst van God te stellen, tot haar verheffing
geleid heeft. Zij heeft zichzelf zover naar de achtergrond gebracht,
God in haar zoveel ruimte gegeven, dat hij in haar Mens kon worden.
Maria is het symbool van de Kerk, als een van ons werd zij boven
ons verheven. Wat haar ten deel is gevallen, is ook ons beloofd:
de voltooiing van ons leven door God. Haar icoon zien we rechts
in het kerkportaal. De icoon toont ons de Moeder Gods, Jezuskind
op de arm, met kroon en scepter, tekens van de hemelse heerlijkheid.
Het schip van de kerk.
De geschiedenis van de kerk gaat terug tot de 14e eeuw. Het
is hierbij niet uit te sluiten dat het aanvankelijk ging om
een soort “eigen” kerk van de adellijke bewoners
van het kasteel. In deze richting wijst ook het aanwezige altaar
in de ontvangsthal van het kasteel. De nauwe relatie met de
adellijke familie is ook herkenbaar in de vele schenkingen aan
deze kerk, zoals glas in lood ramen van François Nicolas,
een knielbank, beelden en andere niet meer aanwe-zige voorwerpen.
De kerk is als een schip op Christus georiënteerd. Het
priesterkoor is met het schip verbonden door de triomfboog met
erin hangend het beeld van de Gekruisigde. Tegen de achterwand
zien we de beelden van de Vier Evangelisten, afkomstig van de
voormalige preekstoel. |
 |
Deze verbinding wordt onderstreept
door de beelden van de heiligen langs de wand van het schip
en in de beide transepten. Door het portaal komen we in het
schip van de kerk; de plaats waar mensen in tijd van nood, sterkte
en troost vonden in het aanschouwen van de triomferende Christus.
Wij bevinden ons aan boord van het schip van de kerk. Voor ons
hebben vele generaties de stormen en de wisselingen van de tijd
doorstaan. Ondanks tegenwind werd de koers vast gehouden, zelfs
in de tijd van de geloofsvervolging en reformatorische overheersing.
Het kerkschip, waarover gesproken wordt, heeft onder het zegel
van Christus een veilige vaart over de zee van de ontwikkelingen
van de tijd. In naam van Christus hoeft het geen gevaren te
duchten, ook al doen ontwikkelingen anders vermoeden, het doel,
de eeuwige woning, blijft steeds behouden. “Een schip,
dat zich gemeenschap noemt, vaart door de zee van de tijd. Het
doel, dat haar de koers aangeeft, heet Gods eeuwigheid”.
Het hoogaltaar van………werd in de lijn van het
Tweede Vaticaans Concilie, evenals vele andere liturgische voorwerpen,
uit de kerk verwijderd en verkocht. Enkele overblijfselen zoals
het altaarkruis en een tweetal sculpturen met fragmenten uit
het leven van de H.Cornelius hebben inmiddels weer een plaats
gevonden in de kerk. |
Priesterkoor-altaar-tabernakel.
Het priesterkoor met het altaar is het hart van de kerk.Hier
wordt het Leven, het geloof, gevierd. Hier zien we het altijd
brandend licht (de Godslamp) dat met zijn lichtschijn getuige
is van de Boodschap die Mozes reeds ontving in de brandende
doornstruik: ”Ik ben, die is” (Ex 3,14).
Het licht wijst er op dat Christus aanwezig is. Als we de kerk
binnengaan, worden we verwacht: de ruimte nodigt uit om ons
in Gods aanwezigheid te stellen.
Symbool van deze aanwezigheid is het tabernakel, de zichtbare
woning van God onder de mensen. Dit verwijst naar de tent met
de ark van het Verbond, waarin de oude bijbelrollen bewaard
werden, die het volk van Israël begeleidde op zijn weg
door de woestijn. |
 |
Op de deur van het tabernakel
vinden we een mozaïek met het beeld van de Boodschap van
de Engel aan Maria, de aankondiging van de geboorte van de Zoon
van God.
Centraal staat het altaar. De tafel waar omheen de gemeenschap
samenkomt om de gedachtenis te vieren aan de maaltijd, die Jezus
op de avond voor Zijn lijden vierde met zijn leerlingen. Voor
ons staat een tombeachtige tafel, met erop aangebracht een reliëf
met de afbeelding van het Laatste Avondmaal. Zo zijn we hier
door God uitgenodigd aan Zijn Tafel. |
De gemeenschap die hier bij elkaar
is vindt zijn basis en inspiratie in Jezus Christus. Het stenen
materiaal waaruit het altaar bestaat, herinnert aan Christus
als hoeksteen van zijn Kerk en als sluitsteen van de op Hem
gebouwde gemeenschap. (Ap. 4,11 ev.).
Bij het altaar spreken we van het offer van Christus. Hij heeft
door zijn dood aan het kruis zich voor eens en voor altijd overgeleverd.
Zijn offer is niet te overtreffen en niet te herhalen. In de
Eucharistieviering wordt het tegenwoordig gesteld. Hier geldt
niet het principe “we offeren om God gunstig te stemmen
of om te ontvangen”. Het is geen provocatie om een tegenprestatie
te ontvangen, maar het gaat om een geschenk, om een genade.
De eigenlijk handelende en offerende persoon is Christus, hij
heeft voor ons door zijn dood en verrijzenis de hemel geopend,
voor eens en voor altijd. Niet wij moeten de hemel scheppen,
maar wij mogen hem ons laten schenken. |
De ambo.
Het Woord van God heeft zijn blijvende plaats temidden van de gemeenschap.
Tekenen hiervan zijn de opengeslagen H. Schrift, de houten beelden
van de Vier Evangelisten tegen de achterwand van het priesterkoor,
waardoor dit als het ware omhuld wordt door de Blijde Boodschap,
en naast de ambo het beeld van Christus als leraar.
De ambo laat het beeld van de adelaar zijn, het symbool van de evangelist
Johannes.
Het Woord van God dat ons vervult en leidt. Jezus draagt het boek
en houdt zijn rechterhand op de wijze van een redenaar omhoog en
wijst ons daarmee op Zijn boodschap” “Ik ben de weg,
de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader, tenzij door
Mij (Joh, 14,6).
Fragmenten van de bijbelse lezingen vinden we ook terug in een aantal
glas in lood ramen van Griesenbrock die zich op het priesterkoor
en de beide nevenruimten van de kerk bevinden.
Voor de verkondiging van het Woord van God moet er in de kerk een
plaats zijn, die past bij de betekenis van het Woord van God en
die de gelovigen ervan bewust maakt dat tijdens de H. Mis zowel
het Woord als het Lichaam van Christus gevierd wordt. De tafel van
het Woord is de ambo, een verhoogde plaats, die uitnodigt om mee
te gaan, om het Woord te volgen. Deze verhoogde plaats is de erkenning
dat Christus tegenwoordig is, als het Woord van de Schrift verkondigd
wordt.
Het Tweede Vaticaans Concilie 1962-1965.
Koerswijziging voor de Kerk.
De invloed van het Tweede Vaticaans Concilie werd duidelijk zichtbaar
in de nieuwe vormgeving van de viering van de H. Mis. Er werd een
nieuw altaar opgesteld, zodat de priester de H. Mis naar het volk
gekeerd kon vieren. Dit concilie was alles gelegen aan een actieve
deelname van de gelovigen. Geen clerus-liturgie, maar een viering
van de kerkge-meenschap. Naast de statische aanwezigheid van Christus
in de eucharistische, bewaard in het tabernakel, treedt de viering
van de Eucharistie als ontmoeting met Christus op de voorgrond.
En wat voor de hele kerk geldt, geldt ook voor iedere mens persoonlijk.
Ook wij zijn op onze weg niet veilig voor een schipbreuk. Er zijn
situaties van uitzichtloosheid, mislukken en vertwijfeling. Ook
voor Jezus zijn deze momenten niet vreemd. Hij is de Kruisweg tot
het einde gegaan. Dit vinden we terug in de kruiswegstaties en het
beeld van Jezus in de schoot van Zijn moeder: de Piëta. Maria
heeft de levensweg van haar Zoon begeleid tot in de uren van de
diepste droefheid. Voor dit beeld van de treurende Moeder zien we,
in de brandende kaarsen, reeds het Licht van de Paasmorgen.
Koerswijziging voor de enkeling: de Biecht.
Voor een van de leerlingen, genaamd Petrus, is de vreugde van het
Paasfeest, getemperd.
Hij heeft zijn Heer verloochend, zich in de uren van de aanklacht
niet tot Hem bekend. Het symbool hiervan is de haan. Hij siert de
toren van de kerktoren en is daardoor een aanwijzing voor allen
die hem zien. De haan nodigt alle schipbreukelingen, zoals eens
Petrus, uit tot waakzaamheid. Steeds als we op een doodlopende weg
zijn, als we verstrikt zijn in onze fouten en tekorten, groeit in
ons het verlangen naar verzoening. De deur van onze biechtstoel
draagt het beeld van Petrus met de sleutel als symbool. Ook in de
toren vinden we een glas in lood raam van de H. Petrus, met aan
de andere kant het beeld van de aartsengel Michael, de beschermer
van de Kerk.
Met biecht zijn de begrippen “bekennen” en “herstellen”
verbonden. Bekennen is bekend maken van iets dat we in ons zelf
erkend hebben. Het antwoord van Jezus hierop is de toezegging: uw
zonden zijn u vergeven. De priester is de bedienaar van het Sacrament
van de boete, Hij ontslaat de biechteling van zijn zonden en laat
in zijn sacramenteel handelen zien dat God de mensen aanneemt en
hen ondanks hun fouten en zwakheden onvoorwaardelijk liefheeft.
Dat wat op deze plaats rouwvol beleden is, wordt door God tenietgedaan,
niet vergeten, maar vergeven.
Bron van leven: de Doopvont.
Niet enkel het Boetesacrament bewerkt verzoening. Reeds in het
Doopsel komt de door Gods genade gedragen terugkeer van de mensen
naar God tot stand. Het water reinigt de mens van alles wat
hem van God scheidt. Zondevergeving komt tot stand door afkeren,
omkeren en richten op een nieuw leven. De inhoudelijke nabijheid
van deze beide sacramenten zien we ook in het bij elkaar geplaatst
zijn van de doopvont en de biechtstoel.
Op deze plaats wordt de eeuwigheid zichtbaar in uitdrukkingsvolle
tekens. Op de eerste plaats het water, oervoorwaarde voor leven
met tegelijk de kracht om te vernietigen. Beide gegevenheden
staan aan het begin van de weg van het geloof op de voorgrond.
Het woord dopen wijst op onderdompelen. Ook al is het in de
huidige doopritus niet meer zo duidelijk, toch is het onderdompelen
het symbool bij uitstek gebleven. Het driemaal overgieten met
water is de gecomprimeerde vorm van de volledige onderdompeling,
waarmee in de jonge Kerk “het met Christus sterven”
en “het tot nieuw leven verrijzen” tot uitdrukking
bracht. |
 |
De doopvont met zijn veelhoekige
vorm, wordt tot de bron van het leven, een leven in overvloed,
dat voortkomt uit de gemeenschap met Jezus Christus. Het Licht
van de wereld.heeft de dopeling verlicht. De doopkaars, ontstoken
aan de Paaskaars, is naast het doopwater eveneens teken van
Leven. We dopen in de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige
Geest. Het Kruis is hierbij niet meer de schandpaal, maar het
teken van de overwinning. Met dit kruisteken gaat de dopeling
op weg met Hem die voor ons het leven is. |
| Bij het verlaten van de kerk
kijken we naar Maria, de Moeder van Jezus Christus, die ook
onze moeder is. |
Tenslotte valt ons ook op het orgel. Dit muziekinstrument geeft
ons tonen mee voor het leven of, zoals Ignatius van Antiochie het
uitdrukt:
“Neem Gods melodie in u op, stemt uw hart er op af, brengen
ze tot klinken in uw leven, zingt ze met heel uw wezen. Hoor ze
uit alle stemmen van de wereld, stem u geheel af op haar klanken”.
|